100 jaar!

De wetgeving die de basis van het huidige drugsbeleid vormt, dateert reeds van 1921. Die wetgeving is  de voorbije decennia weliswaar een klein beetje aangepast, maar ze is compleet gedateerd. In 2021 is de drugswet 100 jaar oud (1921-2021), en worden mensen die roesmiddelen gebruiken al een eeuw lang gecriminaliseerd.

Dat moet volgens ons stoppen. De samenleving is ingrijpend  veranderd. De wet die in  1921 wellicht geschikt en relevant leek te zijn, is  vandaag ontoereikend en contraproductief.

In 1996 heeft de Parlementaire Werkgroep Drugs na een grondig traject een resem aanbevelingen voor het drugsbeleid uitgewerkt. Een aantal aanbevelingen werden verwezenlijkt, maar een aantal andere helemaal niet. Op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten en maatschappelijke ontwikkelingen is het hoog tijd om het drugsbeleid op een volledig nieuwe leest te schoeien.

Waarom is er nood aan een alternatief?

Het uittekenen van een drugsbeleid  is een hele moeilijke oefening, omdat het  betrekking heeft op heel veel verschillende aspecten van het leven. #STOP1921 wil een grondig maatschappelijk debat over een zorgwekkend fenomeen dat elke burger aanbelangt.

STOP1921 vraagt het Belgische parlement om een nieuwe parlementaire werkgroep drugsbeleid te installeren, en op basis van hoorzittingen met alle mogelijke drugsexperten een actueel, coherent, pragmatisch en evenwichtig drugsbeleid uit te tekenen.

Op deze pagina kan u maar liefst 18 vaststellingen, trends en ontwikkelingen lezen waarop wij onze vraag baseren om een grondige analyse te maken van het drugsbeleid zoals dat de laatste decennia is gevoerd.

Er is dringend nood aan  een uitgebreid debat over de wijze waarop het drugsbeleid in ons land – op grond van voortschrijdende wetenschappelijke inzichten – moet worden bijgestuurd en gemoderniseerd.

1

Roesmiddelen, en het gebruik ervan, zijn inherent aan elke cultuur. De opdeling tussen ‘hard’ en ‘soft’ drugs wordt te vaak verward met ‘legaal’ en illegaal’. Dit is een puur arbitraire keuze die geen rekening houdt met de superdiverse maatschappij waarin we nu leven.

2

Drugs zijn alom aanwezig en makkelijk beschikbaar; het aanbod van roesmiddelen is steeds meer gevarieerd. Het huidige drugsbeleid lijkt niet te slagen in zijn opzet, want het druggebruik daalt niet. De nadelige gevolgen die met drugs in verband worden gebracht (op het familiale en relationele vlak, op vlak van gezondheid en welzijn, op financieel vlak) nemen niet af. Fenomenen als criminaliteit en overlast dalen niet.

3

Vandaag zijn er bijzonder veel tegenstrijdigheden in de wijze waarop geneesmiddelen, alcohol en tabak enerzijds, en cannabis en andere illegale drugs anderzijds gereguleerd worden. De wijzen waarop deze middelen gereguleerd zijn, moeten meer overeenstemmen, dat wil zeggen: op dezelfde principes gebaseerd zijn en één samenhangend middelenbeleid vormen. Het is zaak om dezelfde op wetenschappelijke bewijzen gebaseerde principes van volksgezondheid en schadebeperking op alle roesmiddelen toe te passen.

4

De druggebruiker en de maatschappij betalen een hoge prijs voor het beleid dat vandaag gevoerd wordt. Dat beleid is reeds honderd jaar gebaseerd op de principes van geheelonthouding en het bestraffen van mensen die een middel gebruiken. Dit beleid is er niet in geslaagd om zijn doelstellingen – het terugdringen van het aanbod en het elimineren van criminele netwerken – te bereiken.

5

België slaagt er niet in om zijn alcoholwetgeving aan de Europese richtlijnen en normen aan te passen. Daarnaast worstelt de overheid met de aanpak van de zogenaamde nieuwe synthetische drugs (de New Psychoactive Substances of NPS), waarvan het aanbod via het internet almaar uitbreidt.

6

De bestaande drugwetten, omzendbrieven en koninklijke besluiten hebben bijzonder veel verwarring gecreëerd. Hoe cannabis bijvoorbeeld wettelijk geregeld wordt, is voor de gewone man of vrouw in de straat volstrekt onduidelijk. Dat geldt zeker ook voor de jongeren. Zelfs bij de deskundigen op het terrein (de hulpverleners, de opvoeders, de preventiewerkers, de politiemensen en de vertegenwoordigers van justitie) heerst grote verwarring.

7

De laatste jaren zijn in de praktische handhaving van de drugswetten op het terrein grote verschillen ontstaan: lokale besturen hanteren een erg uiteenlopend discours en van rechtsgelijkheid inzake afhandeling van druggerelateerde zaken is geen sprake (meer): wie met een kleine hoeveelheid cannabis op zak langs de gerechtelijke arrondissementen van ons land reist, kan telkens weer anders worden aangepakt.

8

Het aanbod van drughulpverlening in België vertoont nog steeds belangrijke blinde vlekken. Er zijn geografisch gezien regio’s waar géén gespecialiseerde hulpverlening te vinden is. En wie hulp wil zoeken, botst te vaak op al te lange wachtlijsten.

9

Wetenschappelijke evaluaties van gebruiksruimtes met medisch toezicht voor langdurige en problematische druggebruikers tonen keer op keer de effectiviteit van zulke ‘best practices’. In België vormt de huidige wetgeving een obstakel om zulke succesvolle projecten op te starten. Het debat hieromtrent wordt vaak op een polariserende wijze gevoerd.

10

Medicinale cannabisproducten zijn – ondanks duidelijke wetenschappelijke bewijzen dat ze nuttig zijn én werken – slechts onder zeer strikte voorwaarden beschikbaar (op basis van het Koninklijk Besluit van 25 juni 2015). In de feiten zijn ze amper beschikbaar in België, en zijn geneesmiddelen op basis van cannabis niet toegankelijk voor een groot aantal patiënten. Een debat over een bredere, wettelijk gereguleerde beschikbaarheid van cannabis voor medicinale toepassingen aan specifieke groepen van patiënten  is dus wenselijk.

11

Een belangrijk gevolg van het verbod is de onmogelijkheid om een problematische druggebruiker afdoende te beschermen en te ondersteunen. Omdat een burger die drugs gebruikt bijna steevast eerst met justitie en pas daarna met de hulpverlening in aanraking komt, wordt het aangeboden zorgtraject verstoord door straffen en voorwaarden. Dit maakt de hulpverlening aan en de responsabilisering van de burgers die drugs gebruiken moeilijk, zo niet onmogelijk.

12

Vandaag bedragen de uitgaven voor veiligheid en voor de (repressieve) handhaving van het drugsfenomeen een veelvoud van de investeringen in gespecialiseerde hulpverlening en preventie. Dat staat haaks op het uitgangspunt van de Federale Beleidsnota Drugs (2001): daarin worden preventie en hulpverlening de belangrijkste pijlers genoemd, en moet repressie slechts als uitzonderlijke remedie worden gebruikt. Overigens ondergraaft de repressieve strategie vaak de hulpverleningstrajecten en preventieve inspanningen, zoals hierboven reeds werd aangehaald.

13

Het bezit van drugs is wettelijk gezien nog steeds een strafbaar feit, terwijl die criminalisering van druggebruik geen enkel afschrikwekkend of preventief effect heeft. Eén op drie gedetineerden zit in de gevangenis omwille van druggerelateerde feiten. Daarnaast is Druggebruik in de gevangenissen een groot probleem: de helft van de Belgische gevangenen gebruikt roesmiddelen.

14

Sinds de eerste drugswet (1921) en sinds de Federale Beleidsnota Drugs (2001) is de wereld aanzienlijk veranderd. De technologische ontwikkelingen hebben nieuwe vormen van afhankelijkheid doen ontstaan (game- en internetverslaving, gokken, virtuele seks …). Met de verkoop van drugs via het internet en het zogenoemde ‘dark web’ zijn nieuwe aanbodkanalen gecreëerd die zich moeilijk laten reguleren.

15

In beleidsteksten wordt vaak gewezen op het ‘geïntegreerde’ en ‘integrale’ karakter van het Belgische drugsbeleid, maar de facto voeren de beleidsmakers op de diverse domeinen (volksgezondheid, welzijn, justitie, onderzoek) een eigen beleid, zonder een gedeelde analyse en gedeelde visies. Analyses van en visies op een aantal belangwekkende aspecten van het drugbeleid lijken ook tussen Vlaanderen en Wallonië steeds vaker verschillen te tonen.

16

In het kader van het Onderzoeksprogramma Drugs ter ondersteuning van de Federale Beleidsnota Drugs (2001) werden in de periode 2002-2017 in totaal 78 onderzoeksprojecten gefinancierd, goed voor miljoenen euro’s belastinggeld. Maar welke inzichten en beleidsaanbevelingen vloeiden uit al dat onderzoek voort, en in hoeverre wordt in het drugsbeleid met die wetenschappelijk onderbouwde aanbevelingen rekening gehouden?

17

In verschillende andere landen werd gekozen voor een regulering van de cannabismarkt, en in ons land laait het debat daarover geregeld op. Ook in België ontstaan her en der cannabis social clubs: dat zijn verenigingen zonder winstoogmerk die een alternatief willen bieden voor het illegale circuit. Ze zijn vragende partij voor een regulering door de overheid, maar ze worden doorgaans vervolgd. De vervolging en bestraffing van mensen in het bezit van een kleine gebruikershoeveelheid worden naargelang van het gerechtelijk arrondissement waar ze worden gevat verschillend bejegend door politie en justitie.

18

Op het internationale vlak hebben zich de laatste jaren revolutionaire ontwikkelingen inzake drugsbeleid voorgedaan. Zelfs op het niveau van de Verenigde Naties wordt druk onderhandeld over een wijziging van de internationale drugsverdragen, of minstens over een nieuwe interpretatie daarvan. Al deze ontwikkelingen zullen ook in ons land vroeg of laat een debat ten gronde uitlokken.

Wij vinden dat deze situatie moet veranderen. Ontdek hier onze doelstellingen.